Mijn ervaring met de 10/(15)/20/40m Endfed kit van HFkits
De bouwpakketten van HFkits blijven voor mij een genot om mee te werken. De kwaliteit van de onderdelen, de compleetheid van de sets en het feit dat je alles in één keer binnen hebt zonder losse verzendkosten voor dozen, ringkernen, schroeven of draad, maakt het bouwen gewoon prettig. Ik krijg regelmatig kits binnen van amateurs die het zelf niet kunnen of niet durven, en dan bouw ik ze graag op. Deze 10/(15)/20/40 meter Endfed kit is daar weer een mooi voorbeeld van. Het is een pakket dat je op de werkbank legt en waarvan je weet: dit komt goed.
Waarom deze Endfed zo populair is
Wat deze antenne zo aantrekkelijk maakt, is de eenvoud. Een eindgevoede draad zonder voedingspunt in het midden geeft veel vrijheid bij het ophangen. In een tuin, tussen twee bomen, schuin langs een schuur — het maakt allemaal niet zoveel uit. De totale lengte van ongeveer twintig meter is goed te hanteren en op drie van de vier banden kun je zonder tuner werken. Alleen op 15 meter is een tuner nodig, maar dat is voor de meeste stations geen probleem.
Het hart van de antenne is de 1:49 breedbandtrafo. HFkits levert hiervoor een mooie ferriet ringkern en degelijk draad, en dat vormt de basis voor een betrouwbare aanpassing van de hoge antenne‑impedantie naar de 50 ohm die onze transceivers willen zien. De trafo is niet ingewikkeld, maar hij moet wel netjes worden gewikkeld. En dat is precies waar veel amateurs het spannend vinden — en waar ik dus regelmatig voor wordt ingeschakeld.

Mijn bouwproces en ervaringen


De behuizing
Ik begin altijd met de behuizing. Het eerste wat moet gebeuren is het aftekenen en boren van het gat voor de UHF‑connector. Dat gat moet zestien millimeter zijn, en met een trappenboor gaat dat het makkelijkst. Ik boor het gat ongeveer anderhalve centimeter vanaf de dekselrand, zodat de aanpassingstrafo later netjes uitkomt. Zodra het gat klaar is, zet ik het chassisdeel ondersteboven in het gat om de vier bevestigingsgaatjes af te tekenen. Die boor ik vervolgens met een 3,5 mm boortje.
Naast de coaxconnector komt ook een vijf millimeter gat voor de tegencapaciteit; ik heb dat ongeveer twee centimeter van de kastrand gedaan. Daarna draai ik de behuizing om en boor ik aan de andere kant het gat voor de langdraad‑aansluiting en de trekontlasting. Voor permanente antennes is een trekontlasting eigenlijk onmisbaar. Het RVS‑oog boor ik met zes millimeter, de antenneaansluiting met vijf millimeter. Het mooiste is om de trekontlasting in het midden te plaatsen, maar dat is natuurlijk naar eigen inzicht.

Wanneer alle gaten zijn geboord, controleer ik of alles past. De boutjes van vijf millimeter zet ik aan de binnenkant vast met twee tand‑veerringen, één boven en één onder het kabeloogje. Zo draait het nooit mee wanneer je later de antennedraad of tegencapaciteit aansluit. Het blauwe kunststof deel van het kabeloogje trek ik er altijd even af met een tangetje; dat werkt netter en soldeert beter.
De aanpassingstrafo
Daarna begin ik aan de ringkern. Ik vouw ongeveer twintig centimeter van het geëmailleerde koperdraad dubbel en twist de eerste vijftien centimeter lichtjes, zodat het bij elkaar blijft. Het punt waar de twee enkele draden overgaan in het dubbele deel leg ik op de ringkern. Eerst wikkel ik het dubbele gedeelte twee keer rond de kern. Daarna volgen de overige twaalf windingen. Na de zesde winding steek ik over naar de andere kant. Het is belangrijk om goed te tellen; één winding te veel of te weinig maakt echt verschil.
Wanneer de windingen klaar zijn, knip ik het lusje van het dubbele draad door zodat er twee losse draadjes ontstaan. Vlak bij de kern verwijder ik de isolatie van het koperdraad. Dat kan met een mesje of schuurpapier, maar ik gebruik zelf meestal een dremel omdat dat snel en schoon werkt. De twee draadjes draai ik een paar slagen om elkaar heen en soldeer ik vast. Daarna kan de ringkern op het speciale bevestigingsplaatje worden gemonteerd.
Afbouwen
Nu kan de trafo worden ingebouwd. Ik knip de draden op lengte en schroef de ringkern vast in de behuizing. Over de primaire kant van de trafo plaats ik een condensator van honderd picofarad om de ongewenste secundaire capaciteit te compenseren. Vooral op de hogere banden — 15, 12 en 10 meter — merk je dat verschil. Wie hem niet wil gebruiken, kan hem eventueel weglaten, maar ik zet hem er altijd in.
De primaire kant sluit ik aan op het chassisdeel en de aansluiting voor de tegencapaciteit. Ook hier is het belangrijk dat het koperdraad volledig vrij is van isolatie, anders krijg je geen goede soldeerverbinding. De secundaire kant gaat naar de antenneaansluiting. Boven en onder de M5 kabelschoen gebruik ik de meegeleverde getande veerringen, zodat het boutje nooit meedraait wanneer je later een antennedraad aansluit.

Testen
Wanneer alles is aangesloten, kan de trafo getest worden. Dat doe ik door een weerstand van ongeveer 2500 ohm — bijvoorbeeld 2k7 — tussen de massa van de coaxconnector en de antenneaansluiting te zetten. Een SWR‑meter zou dan ongeveer 1:1 moeten aangeven. Het is belangrijk dat je een inductievrije weerstand gebruikt en de aansluitdraden zo kort mogelijk houdt. De meter komt meestal wel iets uit de hoek, maar dat is normaal. Testen met een halve golflengte draad kan natuurlijk ook.
Tegenfase en de “0,05 λ” tegen‑capaciteit
Omdat een Endfed‑antenne asymmetrisch is, zoekt de stroom altijd een weg terug. Als je daar niets voor regelt, kiest die stroom vaak de buitenmantel van je coaxkabel als retourpad, met storingen en een onrustige SWR als gevolg. Om dat te voorkomen gebruiken we een stukje tegen‑capaciteit.
Een beproefde methode is om aan de massa‑zijde van de trafo een draad te monteren van ongeveer 0,05 λ van de laagste werkfrequentie. Voor de 40‑meterband komt dit neer op een draadje van ongeveer 2 tot 2,5 meter. Dit kleine tegengewicht zorgt voor een stabielere afstemming en minder ongewenste mantelstromen.
Common Mode Choke (mantelstroomfilter)
Om de shack echt “RF‑vrij” te houden is een Common Mode Choke onmisbaar. Deze voorkomt dat ongewenste stromen via de buitenmantel van de coax teruglopen naar je apparatuur.
Gebruik je de coax zelf als tegen‑capaciteit, plaats de choke dan niet direct bij de trafo, maar pas na die 0,05 λ lengte coax. Zo blijft de tegen‑capaciteit effectief en filter je toch de mantelstromen weg.
Het resultaat is een rustiger ontvangst, een lagere ruisvloer en geen vreemde storingen meer in USB‑apparatuur of luidsprekers tijdens het zenden.
Rekenvoorbeeld voor de 40‑meterband
De formule is eenvoudig:
Lengte = (300 / frequentie in MHz) × 0,05
Voor 7,1 MHz ziet dat er zo uit:
300 / 7,1 = 42,25 meter golflengte
42,25 × 0,05 = 2,11 meter tegen‑capaciteit
Praktische toepassing
Sluit een stuk draad van ongeveer 2,10 meter aan op de massa van de 1:49‑trafo. Laat deze draad naar beneden hangen of span hem in een willekeurige richting weg. Dit zorgt voor een rustiger ontvangst en een stabielere SWR, omdat de antenne nu een gedefinieerd tegengewicht heeft.
Een bouwpakket dat ik graag blijf maken
En dat is precies waarom ik deze kits zo graag bouw. Alles zit erin, alles past, en je hoeft niet overal losse onderdelen vandaan te halen met telkens nieuwe verzendkosten. Je legt één pakket op de werkbank en je bouwt een complete, betrouwbare Endfed die je zo in de lucht hangt. Voor mij blijft het mooi werk, en voor de amateurs die hem uiteindelijk gebruiken is het een antenne waar ze op kunnen vertrouwen.
Hieronder nog 2 filmpjes die ik een aantal jaren geleden al eens gemaakt had.
Bedankt voor het lezen, Heb je vragen, opmerkingen of wil je jouw eigen ervaring delen? Plaats gerust een reactie onderaan de pagina — ik lees ze allemaal.
Meer informatie over deze en andere bouwkits vind je op: HFkits












Topper
Beste Gerton,
Leuk maar vooral interessant artikel, heb het met plezier gelezen.
Zal er zelf binnenkort ook eens mee gaan experimenteren
Dank,
Peter PE1FSA
Bedankt Peter voor je reactie